
MIM - Bruxelles: Johannes Daniel Dulcken clavecimbel met een beschildering van Carolus Bigée
Geïnspireerd op Herman Saftleven ? Zie de schilderijen van Saftleven
Wanneer we tegenwoordig aan de Rijn in Duitsland of Nederland denken, zien we vaak een brede, rustige rivier voor ons. Maar het traject tussen Bingen en Koblenz—het zogenaamde Bovenste Midden-Rijndal waar Sankt Goar, de burcht Rheinfels en de Loreley liggen—is juist wereldberoemd om zijn extreem steile, verticale rotswanden.
De rots van de Loreley rijst bijvoorbeeld bijna 130 meter loodrecht op uit het water.
Dit enorme hoogteverschil is exact wat Herman Saftleven zo fascineerde in 1651 en wat hij (vrij theatraal en met aangezet drama) vastlegde in zijn tekeningen. Bigée heeft die zeventiende-eeuwse, dramatische stijl overgenomen.

Herman Saftleven/Carolus Bigée
II
2. Een artistieke ontdekkingstocht na de Vrede van Münster
In het jaar 1651, kort na het sluiten van de Vrede van Münster, trok de Utrechtse kunstenaar Herman Saftleven (1609–1685) eropuit. De openstelling van de grenzen na de Tachtigjarige Oorlog zorgde voor een ware migratie van Nederlandse kunstenaars richting het Duitse achterland. Saftlevens reis voerde hem diep langs de Rijn, van de vertrouwde Republiek tot aan Bingen am Rhein. Het monumentale, bergachtige rivierlandschap met zijn steile wijnranken en trotse burchten moet een onuitwisbare indruk op hem hebben gemaakt.
Gewapend met papier en houtskool legde hij deze Rheinfahrt minutieus vast. Onderweg tekende hij iconische locaties zoals kasteel Doorwerth, Hoog-Elten, Kleef en de burcht Boetzelaer. Verder stroomafwaarts volgden Bonn, het Siebengebirge, Rolandseck, Linz am Rhein, Ehrenbreitstein bij Koblenz en de legendarische Loreley. Uiteindelijk eindigde zijn tocht bij de indrukwekkende Mäuseturm op een eilandje in de Rijn bij Bingen. Een monumentaal schilderij uit 1653, tegenwoordig in Schloss Weißenstein in Pommersfelden, toont een veelzeggende scène in de voorgrond: een kunstenaar bijgestaan door een jongen met een tekenmap. Het is een overduidelijke visuele handtekening van Saftlevens eigen aanwezigheid in het gebied, vermoedelijk vergezeld door zijn toen veertienjarige zoon Dirck.
3. De Atlas Van der Hem en de lofzang van Vondel
De unieke neerslag van deze reis kwam terecht in de handen van de Amsterdamse jurist en meester-verzamelaar Laurens van der Hem (1621–1678). Hij kocht de 37 ongedateerde Rijngezichten vermoedelijk rechtstreeks uit Saftlevens atelier voor zijn befaamde Atlas Blaeu-Van der Hem – een collectie die tegenwoordig tot het topbezit van de Österreichische Nationalbibliothek in Wenen behoort. In de zeventiende eeuw gold zo’n getekende Rijnreis als de ultieme vorm van mentale ontsnapping: in een tijd waarin reizen traag, duur en gevaarlijk was, boden deze bladen een "virtueel avontuur".
De immense eigentijdse waardering voor deze levendige bladen werd rond 1660 treffend verwoord door de 'prins der dichters', Joost van den Vondel (1587–1679). In zijn lofdicht Op het Kunstboeck van Herman Zachtleven beschrijft Vondel hoe de toeschouwer vanuit de beslotenheid van de eigen kamer een magistrale, denkbeeldige reis kon maken. Wie de "kunstpapieren" opsloeg, voer in gedachten de Domstad Utrecht uit en stroomde zo de Rijn op:
"Hy kan stil den Ryn opstreven, Van out Uitrecht, en den Dom; Tusschen d’oevers van de stroomen,Tusschen wynbergh, bosch, en boomen, Zich verlustigen alom..."
Op het Kunstboeck van Herman Zachtleven, vermaert schilder en tekenaer
Lust het iemant Zacht te leven,
Lucht te scheppen naer zyn’ wil,
Die blyf t’huis, gerust en stil:
Hy kan stil den Ryn opstreven,
Van out Uitrecht, en den Dom;
Tusschen d’oevers van de stroomen,
Tusschen wynbergh, bosch, en boomen,
Zich verlustigen alom,
Sloten, steden, en landouwen,
Kudden, vee, en dorp, en vleck,
Ackers, en gebuurte, en heck,
Bron, en waterval aenschouwen,
In zyn kamer, zoo hy maer
Opsla deze kunstpapieren,
Zoo vol levens, zoo vol zwieren,
Dat Natuur by wylen daer
Stom staet, toornigh, en verbolgen,
Over dat, en over dit,
Over zwert, en over wit,
Licht en schaduw, snel in ‘t volgen
Van haer wezen: kan de Kunst
Kan de hant van dezen trecker
My dus volgen tot den Necker?
Heeft hem Pallas met haer gunst
En genade dus bescheenen?
Zeker laet de vlugge Faem
Dan braveeren met zyn’ naem:
Laet hem dan zyn’ naem vry leenen
Van het Leven: want hier leeft
Wat hy treckt met duim en vingeren,
Los en levendigh in ‘t slingeren,
Dat de bladen leven geeft.
Wie verdriet het op dees blaeren,
Dus den Rynstroom op te vaeren?
4. De vertaling naar het klavecimbel: Bigée en de Dulcken-connectie
Bijna een eeuw later kreeg deze Saftleviaanse traditie van "reizen in een luie stoel" een sensationele en diep emotionele herbestemming in de ateliers van de familie Dulcken, die illustere klavecimbelbouwers uit Antwerpen. Op een prachtig bewaard gebleven klavecimbeldeksel, meesterlijk beschilderd en gesigneerd door Carolus Bigée (C. Bigée F.), herleeft exact de iconografie van Saftlevens geïdealiseerde Rijngezichten.
Bigée maakte ingenieus gebruik van de asymmetrische vorm van het instrument. Aan de brede linkerzijde schilderde hij een donker, monumentaal coulisse-element met bomen en stoffage, van waaruit het oog diagonaal naar rechts wordt geleid naar een weids riviergezicht met meanderende stromen, vissers en steile, blauwachtige rotspartijen in de verte. Net zoals Vondel beschreef, bood dit deksel de musicus en de luisteraar de kans om tijdens het klinken van de muziek weg te dromen naar het Rijndal.
5. De Symboliek van de Oversteek en de Ruige Stroom
Wie echter inzoomt op de voorgrond van Saftlevens compositie en Bigées meesterlijke adaptatie ontdekt dat dit geen willekeurige idylle is. Het toont een historische oversteekplaats of veerverbinding. Aan de waterkant heerst een dwingende logistiek: reizigers wachten bij de oever en goederen worden op zware schuiten geladen. De Rijn tussen Bingen en Koblenz was destijds een even spectaculaire als gevaarlijke transportader. Reisverslagen uit de achttiende eeuw spreken vol ontzag over de angstaanjagende stroomversnellingen van het Binger Loch, de verraderlijke draaikolken bij de Loreley en de onvermijdelijke tolstations zoals bij de burcht Rheinfels.
Om deze woeste krachten te trotseren, waren reizigers volledig aangewezen op lokale schippers en strategische veerponten. De getoonde oversteek is daarmee een krachtige metafoor voor de levensreis zelf: het achterlaten van de vertrouwde oever om de ongetemde natuur te overwinnen. Dit sluit bovendien naadloos aan op de reële geografie van Sankt Goar, dat al sinds de middeleeuwen via een cruciale Rheinfähre verbonden was met de tegenoverliggende oever.
6. Conclusie: Een Intiem Familie Monument
Wanneer Johann Daniel Dulcken decennia later in de Zuidelijke Nederlanden aan Carolus Bigée wellicht de opdracht gaf om een Rijnlandschap op het klavecimbeldeksel aan te brengen, koos hij voor een landschap dat zijn hele ziel en geschiedenis omvatte.
Het deksel toont het exacte, bergachtige Rijndal rond Sankt Goar en Weisel. Het is de plek Weisel waar Johann Jacob Schramm predikte, waar zijn ouders in de schaduw van de oorlog trouwden, de plek waar de 'eerste' Johann Daniel naamloos in de aarde rustte, én de plek waar hij met het veer de rivier overstak om zijn Susanne Knopffel het jawoord te geven.
Wanneer er op dit klavecimbel werd gespeeld, opende zich niet alleen een venster naar de zeventiende-eeuwse kunsttraditie van Herman Saftleven en de poëzie van Vondel, maar ook een intiem monument van familiale herinnering. Wie achter dit instrument plaatsnam, reisde niet zomaar in een luie stoel de Rijn op – hij speelde de muziek rechtstreeks het landschap van de Dulcken-oorsprong, van melancholie én van de liefde in.
III • Een verborgen familiedrama én een liefdesgeschiedenis aan de Rijn



Georg Ludwig Dülcken & Johanna Margareta


Eine Kopie der Taufurkunde von Johann Daniel, (*) 14. Oktober 1704, Sankt Goar
Met dank aan mevrouw Nagel. Moderator Archion Forum

"Op de avond van 14 oktober om 9 uur werd Johann Daniel, de zoon van de heer Georg
Ludwig Dülcken, thuis gedoopt. Peetvader was
de heer Luther Daniel Maul, de ziekenhuisdirecteur.
Dit gebeurde in allerijl, aangezien het kind
volgens de min erg verzwakt was.
Ze waren de dag ervoor
in Weissel getrouwd.
Het kind stierf binnen een
week en
werd zonder
ceremonie begraven".
De oversteek in de nacht (Sankt Goar, 1704)
Op de avond van 14 oktober 1704 bereikte een diepmenselijk drama zijn climax aan de voet van Schloss Rheinfels. Georg Ludwig Dülcken, een jonge theoloog uit Berleburg, was de dag ervoor — op 13 oktober — in aller ijl in het huis van de predikant in het Rijn-dorp Weisel getrouwd met zijn hoogzwangere partner Johanna Margaretha. Dit bliksemhuwelijk, voltrokken door zijn oom ds. Johann Jakob Schramm, moest een ambtelijk en sociaal schandaal binnen de predikantenklasse rond een buitenechtelijke geboorte voorkomen.
Kort na de huwelijksvoltrekking zette de bevalling in. Op 14 oktober omstreeks negen uur 's avonds werd hun zoontje Johann Daniel geboren. Omdat het kind uiterst zwak was en men vreesde voor zijn leven, werd er een wanhopig besluit genomen. Terwijl de moeder in Weisel haar kraambed niet mocht verlaten, werd met de doodzieke, pasgeboren baby de gevaarlijke, nachtelijke oversteek over de woelige Rijn gewaagd. Men zocht medische en geestelijke redding aan de overkant, in de grotere stad Sankt Goar. Daar, in de veilige ambtswoning van hospitaalsdirecteur (Hospitalmeister) Luther Daniel Maul, werd de stervende baby via een nooddoop in aller ijl in de christelijke gemeenschap opgenomen. Het kind overleefde de vroeggeboorte en de barre reis over het water echter niet; het stierf binnen een week en werd aldaar in alle stilte, ohne Pomp (zonder ceremonie), begraven. Twee jaar later zou hun volgende zoon in Wingeshausen exact dezelfde naam krijgen, om deze verloren eerstgeborene voor altijd te gedenken.
Johann Daniel Dülcken & Susanna Maria Knöpefell



SANKT GOAR - Heiratseintrag Johann Daniel Dülcken und Susanna Maria Knüpfelin
transcriptie Dr. Johannes Burkardt
Compleet
17. [Decem]ber * Sindt H[er]r Johann Daniel Dülcken, Kauff- u[nd] Handels=mann,
H[errn] Pfarrers Dül=
ckens zu Winches=hausen (sic!) in der Graffschafft Berlenburg
Ehel[icher] Sohn, u[nd] J[ung]fer
Susanna Maria Knüpfelin, des weyland H[errn] Johann Conrad Knüpfels
gewesenen proviant=Com[m]issarii u[nd] Stiffts=Kellers allhie,
nachgelasene Ehel[iche]
Tochter, copuliret u[nd] den 23 t[en] augusti hui[us] anni zum
I stenmal p[ro]clamiret word[en].
* Darunter Eintrag mit blasserer Tinte, aber von gleicher Hand: „16. hui[us] de infra. N[ota] B[ene].“
🇳🇱 Huwelijk van de koopman en handelaar Johann Daniel Dülcken, zoon van de predikant Dülcken zu Wingeshausen in het graafschap Berleburg, met Susanna Maria Knüpfelin, dochter van de overleden Proviant-Commissair en Stift-Kellner Johann Conrad Knüpfel, op 17 december 1733 (Voor de huwelijksinschrijving van 1733 staat er: Archiv der Evangelischen Kirche im Rheinland, Boppard, KB 149/1 (St. Goar ref.), p. 287.)
Foundation Musick's Monument